In de late namiddag boven een tropisch rif daalt het zonlicht schuin door een zachtjes gegolfde oppervlakte naar beneden, en breekt het uiteen in trillende lichtbanen die over kalkstenen bommies glijden en een rozé-lavendel gloed achterlaten in het bovenste waterlaagje. Het is het seizoen van de massale koraalvoortplanting: miljoenen kleine pakketjes van eicellen en sperma stijgen gelijktijdig op uit de kolonies, als bleke sneeuwvlokken die tegen de zwaartekracht in bewegen, elk bolletje zichtbaar in het diffuse omgevingslicht dat het water doorweekt. Vertakkende en massieve koralen, fijngebouwde gorgonen die zacht bewegen in de stroming, en anemonen met hun schuilende bewoners vormen samen een architectuur van kalkcarbonaatskelet die generaties lang opgestapeld is door ontelbare poliepen — organismen ter grootte van een speldenknop die elk een stevig huis bouwen van calcium en zeewater. Planktieven hangen roerloos in de sluier van paaideeltjes en wachten op hun kans, terwijl een papegaaivis langs de rifrand trekt en met zijn tandplaat carbonaat maalt tot wit zand. Dit ondiepe voorriflandschap, badend in water van vijfentwintig tot achtentwintig graden Celsius en doordrongen van gefilterd tropisch licht, bestaat volmaakt in zichzelf — geen getuige nodig, geen blik van buiten.