De ROV zweeft op slechts een handvol meter boven versgestolde kussenlava, zijn koude LED-bundels het enige licht in een wereld die al duizenden jaren in volkomen duisternis is gehuld. Onder de smalle lichtkegel tekent zich een landschap af van bolle, gebluste lavalobben met een glasachtige, bijna metallieke glans — zo recent uitgestroomd dat nauwelijks sediment de oppervlakte bedekt, alleen een ijle neerslag van mariene sneeuw die traag neerdwarrelt in de spleten van breukranden en ingestorte korststructuren. Op deze diepte perst de waterkolom met honderden atmosferen op elke vierkante centimeter van de romp, de temperatuur ligt net boven het vriespunt, en de zeebodem zelf is nog warm van het magma dat langs de mid-oceanische rug omhoogwelde en bij contact met het ijskoude zeewater in fracties van seconden verglaasd is. Waar de rug abrupt afbreekt en het basalt in het absolute niets wegvalt, knippert ver buiten de lichtconus een blauwgroen bioluminescent lichtsignaal — een herinnering dat zelfs hier, in deze drukkende, zichtloze stilte, leven zich een weg heeft gevonden door de duisternis.