In de absolute duisternis van de diepzeevlakte, op ruim tweeëneenhalve kilometer onder het oceaanoppervlak, ligt het reusachtige lichaam van een gezonken walvis op een uitgestrekt siltplain — een plotselinge, buitengewone concentratie van organisch materiaal in een omgeving die normaal gesproken wordt gekenmerkt door schaarste en stilte. De druk hier, meer dan tweehonderdvijftig atmosfeer, perst elke cel samen, maar het leven reageert onmiddellijk: zware slaaphaaien draaien trage cirkels rond het karkas, hun grijs geaderd huid nauwelijks zichtbaar totdat een explosie van cyaanblauw bioluminescentie — afkomstig van verstoorde aaseters — hun lichamen even tovert in koude vlammende contouren voor ze weer oplossen in de zwarte waterkolom. Slijkprikken strengelen zich diep in de opengebarsten flanken, hun lichamen gevlochten in vet en spierweefsel, terwijl wolken kleinere organismen opwervelen vanuit het sediment en telkens bij verstoring nieuwe constellaties van licht ontvlammen die elke plooi van huid, elk gat in het slib en elke vezelachtige laag walvisvet even nauwkeurig in kaart brengen als geen enkel menselijk instrument ooit zou kunnen. Dit is het begin van een ecologische successie die tientallen jaren zal duren: van aasfeest naar chemosynthetische gemeenschap, een eiland van leven midden in de eeuwige nacht.