In een smalle kloof die door het rif snijdt, jaagt de oceaanbranding over gepolijst kalksteen waarvan het oppervlak door eeuwen van waterbewegingen is uitgehold tot groeven, kommetjes en gladde bassins — een levend sculpturenpark van carbonaat. Aan weerszijden rijzen dichte struiken van geweikkoralen op, hun vertakkingen bezet met duizenden levende poliepen die bij elke golfstoot licht meebuigen, terwijl geknobbelde koraalkopppen en aansluipende korsten de tussenruimten vullen. Wolken kleine rifvissen bewegen als één organisme in glinsterende linten boven de takken, aangedreven door dezelfde energiegolf die het water door de geul perst, en elders werkt een kleurige papegaaivis methodisch het rif af en kauwt met zijn versmolten tanden kalksteenkorst tot witte zandwolkjes. Zuiver tropisch zonlicht valt in brede goudblauwe bundels door het golvende wateroppervlak en tekent trillende netten van caustisch licht op kalkstenen wanden, koraaltakken en visschubben — een fotosynthetisch feest dat de zoöxanthellen in het weefsel van de koraalpoliepen voedt en zo de kalkafzetting aanstuurt waarmee dit biogene gebergte zichzelf bouwt. Hier, in warm, zuurstofrijk en kristalhelder water onder nauwelijks een handvol meters zeedruk, bestaat een van de soortenrijkste ecosystemen op aarde volledig op eigen kracht, pulsend met surgeritme en licht, zonder getuige.