In het donker van een maanloze tropische nacht ligt de oceaan als gesmolten obsidiaan: nauwelijks een rimpeling, nauwelijks een geluid, alleen het zachte ademhalen van de aarde onder een veld van sterren dat zich spiegelt in het trage, olieachtige water. De zee-atmosfeergrenslaag — een film van slechts enkele micrometers dik — is een van de meest actieve ecologische grensvlakken op aarde, doortrokken van organisch materiaal, lipiden en levende micro-organismen die zich concentreren in deze uiterste bovenste huid van de oceaan. Verspreid over dat donkere oppervlak flitsen dinoflagellaten — ééncellige planktonische wezens zoals *Noctiluca scintillans* en soorten van het geslacht *Pyrocystis* — als elektrisch blauwe vonken telkens wanneer de capillaire golfjes hun celmembranen mechanisch prikkelen en zo een chemiluminescentie-reactie triggeren waarbij luciferine oxideert en blauw licht vrijkomt zonder warmte, zonder verspilling. Tussen de flitsen door heerst een diepte die bijna tastbaar is: het water valt onmiddellijk weg in fluwelen blauwzwart, koud en ondoordringbaar, terwijl het oppervlak zelf als een levende spiegel zweeft tussen twee oneindigheden — de sterrenhemel boven en de afgrond beneden — in een stilte die al bestond lang voordat er iemand was om ernaar te luisteren.