Op 780 meter diepte rijst de continentale helling op als een gebroken steenwand van smalle richels, geulen en ravijnaardige spleten, opgebouwd uit geconsolideerd sedimentgesteente dat door millennia van contourstromen en gravitatieflows is uitgehouwen en hergekneed. Hier, waar het resterende zonlicht nog slechts als een nauwelijks waarneembare indigo-gloed doordringt, projecteren donkere antipathaire zwarte koralen — *Antipatharia* — hun ingewikkelde vertakkingen schijnbaar roerloos in de zwakke langsstroomse waterbeweging, terwijl kiezelsponsachtigen zoals *Hexactinellida* hun glazige siliciumskelet onthullen als doorschijnende geometrische schaduwen tegen de leisteenblauwe duisternis. Haarfijne crinoïenarmen spreiden zich als stille vangnetten in de waterkolom, opgesteld om de lichte regen van mariene sneeuw — organisch detritus dalend uit de productieve bovenlaag — te onderscheppen, terwijl een dunne nepheloïde nevel van fijne sedimentdeeltjes traag langs de rotswand drijft, gevoed door kanyontransport en biologische afzetting op de smallere plateaus. Verspreid door het donkere midwater flikkeren bioluminescente stipjes van zoöplankton en kleine crustaceeën op als koude blauwgroene vonken, het enige zelfopgewekte licht in een omgeving waar de druk al ruim 78 atmosfeer bedraagt en de stilte totaal is — een wereld die volledig in zichzelf bestaat, onafgebroken en oud, terwijl de helling onder haar onmiddellijk wegvalt in het blauwzwarte niets.