Op driehonderd meter diepte drijft de ROV geluidloos in een wereld die geen bodem kent en geen oppervlak — alleen een verzwakkend kobaltblauw dat van ergens ver daarboven sijpelt en aan alle kanten vervaagt in een bijna tastbaar zwart. De druk bedraagt hier al ongeveer dertig atmosfeer, en toch wemelt het water van leven: doorschijnende garnalen met glazen lijfjes, ctenoforen die nauwelijks van het water te onderscheiden zijn, en in de verte de spookachtige silhouetten van myctofiden met hun zilveren flanken die even opvlammen in het schaarse licht van de ROV. Dit is de diepe verstrooiingslaag — geen geologische formatie, maar een levende, bewegende wolk van organismen die de sonar van vroegere oorlogsschepen deed geloven dat er een valse zeebodem bestond. Dan, één voor één, knappen er kleine elektrisch-blauwe vonkjes aan in het duister: bioluminescentie, het oudste licht ter wereld, dat oplicht als reactie op een trilling of aanraking en de stille waterkolom transformeert in een gefluister van levende sterren.