In de absolute duisternis van de middernachtzone, op diepten waar het gewicht van het water boven neerkomt als honderden atmosferen, glijdt een eenzame maroonzwarte roofvijand door een gestage val van mariene sneeuw — microscopische deeltjes organisch materiaal die als stille regen neerdalen vanuit de wereld daarboven, waarvan geen spoor meer zichtbaar is. De gedaante is bijna volledig opgelost in het zwart, alleen af en toe verraden door een handvol ijlblauwe fotoforen die even zijn contouren omlijnen, een bioluminescente taal die tegelijk lokt en misleidt in een omgeving waar elk zintuig tot het uiterste is geëvolueerd. Diep beneden tekent zich vaag een uitgestrekte abyssale vlakte af — een vlak, slibbedekkend basaltisch landschap dat zich in alle richtingen uitstrekt in volkomen stilte en thermische stabiliteit, nauwelijks verlicht door een ver verwijderd chemoluminescent schijnsel van een hydrothermale pluim aan de horizon. Hier bestaat geen seizoen, geen getij, geen licht van zon of maan: alleen de grillige geometrie van honger en kans, de koude constante van bijna-vriespunt water, en de stille aanwezigheid van leven dat miljarden jaren van evolutie heeft doorstaan zonder ook maar één getuige te behoeven.