Op de top van een onderzeese vulkaan, waar het harde basalt in rustige holten uiteen valt, verzamelt zich bleek schelpzand in geribbelde kuilen tussen de stenen ruggen — gevormd door eeuwenlange getijdepulsen en de gestage druk van het stromende water. Helder oceaanwater, bezaaid met drijvende planktondeeltjes, geleidt het zonlicht van het oppervlak in brede, golvende lichtbanen die over het zand glijden en causale patronen weven op het gepolijste gesteente, want op deze geringe diepte, waar de druk nog geen tien atmosfeer bedraagt, dringt het volledige spectrum van de zon diep in de waterkolom door. Kleine zilverkleurige lokvissen schieten in dichte zwermen laag over de geribbelde zandbodem, hun schubben flitsend als verspreide munten telkens wanneer een stroomstoot hen naar de dichtstbijzijnde richel drijft, terwijl boven het plateau een werveling van carangiden hun zijflanken in gebroken zonvlagen baadt. Aan de stroomopwaartse rand van het plateau strekken gorgoniëen zich in de stroom uit als levende waaiers, en op de beschaduwde rand waar de toptafel steil afdaalt in dieper kobaltblauw, klampen zwarte koraalkolonies zich vast aan het gesteente. Buiten de aggregatie snijden grote tonijnen met gespannen, hydrodynamische precisie door het open water — roofdieren die de concentrerende werking van dit onderzeese gebergte benutten, dat als een eiland van hard substraat en verhoogde productiviteit midden in de open oceaan bestaat, volledig op eigen kracht, ver buiten het bereik van enig menselijk blikveld.