In de absolute duisternis van tweeënhalve tot drieënhalve kilometer diepte rijst een basalten breukvlak op als een duistere muur van gestold aardmagma, opgebouwd uit kussenlavagesteente met glasachtige breukvlakken en haarscherpe eruptiespleten waardoorheen diffuse hydrothermale stroming nauwelijks zichtbaar siddert. Langs de wand klimt een vage roodoranje chemoluminescentie omhoog — de neerslag van een verre hydrothermale pluim die mineraalrijke vloeistof door de waterkolom voert, een restant van de aardse hitte die het zeewaterkolom van onderaf verwarmt. Tegen dit gloeiende neveldoek hangt een vipervisch bewegingloos in open water: zijn slanke lichaam, abnormaal grote kop en naaldscherpe tanden zijn slechts leesbaar als een scherp silhouet, een snijdende vorm in het rood, terwijl verspreide cyaanblauwe bioluminescente vonkjes in de omringende waterkolom de diepte van de duisternis accentueren. Op een druk van meer dan driehonderd atmosfeer, bij temperaturen net boven het vriespunt, drijven mineraaldeeltjes en mariene sneeuw traag neerwaarts langs het vulkanische gesteente — dit is geen expeditieomgeving, maar de primordiale chemie van scheidende tektonische platen, ononderbroken en onbewust van elke aanwezigheid buiten zichzelf.