Op een diepte waar het gewicht van de oceaan het equivalent vormt van honderden atmosferen, rust een donker brijnnenmeer roerloos in een ondiepe depressie van het abyssale slib — een hypersaline vloeistof die twee tot acht maal zouter is dan normaal zeewater en zich gedraagt als een afzonderlijk vloeibaar lichaam met een scheermesscherpe halocline als oppervlak. Door de extreme dichtheid van dit brine daalt het mariene sneeuw — de oneindige regen van organische fragmenten, schaaldeeltjes en bacteriële aggregaten die voortdurend vanuit de waterkolom neervalt — tot aan deze grenslijn en zweeft dan traag zijwaarts, als gevangen in de onzichtbare spanning tussen twee werelden, zodat een delicate horizontale sluier boven het spiegelende zwarte vloeistofoppervlak ontstaat. Langs de randen van het meer liggen zwaveliggele bacteriematten en bleekwitte mosselen, gevoed door chemoautotrofe symbionten die energie halen uit gereduceerde zwavel- en methaanverbindingen — organismen die volledig onafhankelijk van zonlicht leven, gedragen door de chemische rijkdom die uit de zeebodem sijpelt. Verstrooid over het omringende slib liggen mangaanknollen, gevormd gedurende miljoenen jaren van langzame mineraalaccumulatie, terwijl trage holothurieën en zeepens uit het sediment steken en in absolute stilte dit oeroude landschap bewonen. Boven dit alles hangt slechts een ijle cyan glinstering van bioluminescente organismen — het enige licht in een wereld die volledig buiten het bereik van de zon bestaat, volmaakt onbewust van haar eigen bestaan.