Rondom je sluit een levende muur van sardienen zich in gestage, golvende bewegingen, elk zilverglanzend schub minutieus verlicht door de tropische zon die door het golvende oppervlak boven je breekt in scherpe godstralen en flikkerend caustic licht dat door het turquoise water snijdt. Je bevindt je in de bovenste meters van de oceaan, waar het water nog warm en helder aanvoelt, dooraderd met planktonsliertjes en minuscule luchtbellen die in de lichtbanen opglinsteren, terwijl diep onder je de blauwe waterkolom verzinkt in een donker, koud kobalt dat geen bodem kent. Dit is de epipelagische zone op haar meest dynamisch: een pelagisch school van naar schatting honderdduizenden sardienen functioneert hier als één levend organisme, waarbij de gecoördineerde beweging — aangestuurd door hydrodynamische signalen via het zijlijnorgaan — een collectief schild vormt tegen predatie. Maar het schild bezwijkt: dolfijnen en geelvintonijn, warmwater toppredatoren met lichamen geoptimaliseerd voor explosieve snelheid bij minimale weerstand, slaan simultaan toe van boven en de zijkant, hun passages korte corridors van open water openrijten die de school in een oogwenk weer dichtvouwt om de lens. In dit deel van de open oceaan, ver van enige kust of zeebodem, zijn zulke baitball-events tijdelijke brandpunten van biomassa en energie, een razendsnelle opeenstapeling van voedselwebdynamiek die zich afspeelt in volledig open, grenzeloos blauw water.